Het is een maanloze nacht, ergens midden op de Veluwe.
Ik lig op mijn rug in de hei. Om mij heen is het aardedonker. Als ik me in mijn slaapzak voorzichtig beweeg, kraakt er een takje. Ik schrik even en luister aandachtig. Een windvlaag ruist door de heidestruikjes. Verder is het doodstil. Zorgvuldig heb ik deze plek uitgekozen. ’s Nachts is dit een van de donkerste gebieden in Nederland. Alle menselijke activiteiten zijn hier ver weg. Hier leven edelherten, wilde zwijnen en een enkele wolf.
Als ik schuin omhoog kijk, tekent het silhouet van mijn telescoop zich af tegen een zee van sterren aan een fluweelzwarte hemel. Elke vijf minuten geeft de camera op de kijker een zachte klik en een rood ledje flitst dan even op. Terwijl hij heel langzaam met de sterrenhemel meedraait, zal de camera de hele nacht foto’s maken van één reusachtige wolk van gas en stof in de kosmos. Morgen zal de computer al die data op elkaar leggen en er één mooie plaat van maken. Tenminste, dat is de bedoeling.
Het was een nacht om nooit te vergeten, maar de foto’s vielen tegen. De beroemde Elephant’s trunk nebula, de enorme wolk van gloeiend gas en donker stof, ver weg in het heelal, waar ik mijn kijker op gericht had, kwam toch niet zo helder en contrastrijk uit de computer als ik gehoopt had. Misschien was er toch wat hoge bewolking, waren de foto’s te kort belicht, of had ik gewoon te weinig foto’s.
Maar een maand later trok ik rond in het oosten van ons land en daar, ver van straatlantaarns en hoge gebouwen, ergens in een weiland in de buurt van Aalten, kwam de herkansing. Weer die stilte en opnieuw een zee van sterren aan een hemel zoals we die thuis nooit zien. Toen de computer de volgende dag alle foto’s verzameld en verwerkt had, kwam hij uiteindelijk tevoorschijn in al zijn glorie, de Elephant’s trunk nebula, waar tussen donkere stofwolken en rood oplichtend waterstofgas, nieuwe sterren geboren worden.