Loch Ewe, Noordwest Schotland. 15 sept. 2013
‘Moet je nou niet nóg een foto maken?’ vraagt ze.
’Misschien zijn deze wel niet goed gelukt, en dan hebben we straks niks.’
’Zo mooi is ie nu… zometeen komen er wolken aan!
Maak er nog een paar!’
Tineke heeft iets met de maan. Dat heeft ze al heel lang. In de winter van 1978 zat ze, met Martijn aan haar borst, tijdens de nachtelijke voedingen voor het raam en volgde zijn weg langs de hemel. Ze genoot ervan en het gaf haar rust, zei ze.
Dat gevoel heb ik nooit gehad. Maar de maanreizen herinner ik me nog goed.
In 1969 fietste ik met een schoolvriend naar Italië en op 20 juli, onderweg op een camping in Oostenrijk, keken we om 2 uur ‘s nachts in de voortent van de buren op een klein tv’tje naar onscherpe beelden van de eerste maanlanding. Maar ik heb het idee dat de mooie campingbuurvrouw me toen meer fascineerde, dan die rondspringende Amerikanen of de commentator van de NOS.
Terug in Nederland bouwde ik een simpele sterrenkijker, zag de kraters op de maan en voelde toen voor het eerst iets van fascinatie. Ik probeerde foto’s te maken van de kraters Copernicus en Tycho en zocht naar de plek, waar de Amerikanen hun spullen achtergelaten hadden.
Maar de kijker moest plaats maken voor studie en werk en zo gingen vijftig jaren voorbij.
En nu zie ik thuis op mijn laptop, de beelden van een Chinese maanmissie en een Amerikaanse robot op Mars. Het lijkt allemaal gewoon geworden.
Maar kortgeleden stapte ik achter in de tuin door een nieuwe kijker in een tijdmachine.
De lucht trilde, dunne wolkenslierten gleden als sluiers voorbij en onthulden haarscherp Copernicus en Tycho. Ze lagen er nog mooier bij dan vijftig jaar geleden, en toen ik ook Jupiter en de Pleiaden langs zag komen, fluisterde een oud gevoel, dat ik hier nog niet klaar mee was.