Isle of Skye, 26 mei 2017.
Als ik mijn ogen open doe, wijst het klokje in de slaapkamer 03.40 aan. Naast me voel ik de uitnodigende warmte van Tineke, maar haar rustige ademhaling vertelt dat ze voorlopig nog ver weg is. Voorzichtig richt ik me op. Buiten begint het te schemeren. Boven de bergen aan de overkant is de lucht al wat lichter, met een vleugje roze erin. Ik glijd het bed uit, schiet mijn kleren aan, pak mijn fototas en sluip naar buiten. Het is fris, maar windstil. Ik begin te lopen.
Voor me ligt de Sound of Sleat, een smalle zeestraat tussen het Schotse vasteland en het eiland Skye. Het water lijkt een spiegel, maar op 50 meter uit de kust, geeft een zachte rimpeling aan, dat de ebstroom net begonnen is. Ik sta op de stenen ondergrond, waar een groot deel van het eiland uit opgebouwd is. Grijs, gegroefd en gladgeslepen door miljoenen jaren water, zand en ijs. Het is Lewisian Gneiss, een van de oudste gesteenten op aarde. Keihard, ooit ontstaan in enorme hitte, diep in de nog jonge planeet Aarde, waarop nog lang geen leven te vinden was. Gloeiend heet naarboven geduwd, afgekoeld door de eerste regenbuien, en achtergelaten op een plek die twee miljard jaar later Schotland zou gaan heten.
Plotseling hoor ik gesnuif achter me. Het is een zeehond, die langzaam aan komt zwemmen. Op een afstand van een meter of tien blijft hij naar me liggen kijken. Donkere ogen, een druipende snor en een glad rond hoofd. Ik praat tegen hem, maar hij reageert niet. Alleen snuift hij, en laat iets wat op een boer lijkt. Ik loop heen en weer, maar hij blijft me volgen. Af en toe duikt hij onder, om even later op een andere plek weer op te duiken. En steeds weer kijkt hij naar me. Het wordt licht. Boven me strekt de dageraad haar roze vingers uit en langzaam komt de zon achter de bergen tevoorschijn. Ik ga zitten op een blauwgrijze uitloper aan de waterkant, leg mijn handen op de koele steen, haal diep adem en snuif de ochtend op.