Putten, 3 dec. 2010.

Het begon in de zo­mer van 1967.

In het IJs­sel­meer, op een paar hon­derd me­ter voor de oude kust bij Put­ten, was nieuw land ont­staan. Een zan­di­ge dijk, die in en­ke­le maan­den op­ge­spo­ten was, maakte re­so­luut een ein­de aan onze avon­tuur­lij­ke zeil­toch­ten in klei­ne hou­ten boot­jes op het toen nog rui­ge IJs­sel­meer. De hoge gol­ven, de ver­re ho­ri­zon, de stil­te in het fluis­te­ren­de riet, het was al­le­maal op­eens voor­bij. Wat overbleef was een smal rand­meer, niet meer dan een paar hon­derd me­ter breed. Op de oude oe­ver kwam een mo­tel, par­keer­plaat­sen, een strand en een jacht­ha­ven. En dwars door het kust­ge­bied, dat eeu­wen­lang stil en ver­ge­ten leek, sneed nu de nieuw aan­ge­leg­de A28. De na­tuur leek op­eens ver­der weg dan ooit. Maar on­ge­merkt ont­stond aan de over­kant, in de nog jon­ge pol­der, het be­gin van een nieuw bos, Het Hor­ster­wold.

 Vijf­tig jaar zijn sinds­dien voor­bij­ge­gaan. De hou­ten boot­jes zijn ver­dwe­nen en de zeil­vriend­jes van vroe­ger fiet­sen nu met hun klein­kin­de­ren langs de oude kust en dwa­len langs de oe­vers van het Hor­ster­wold, dat in­mid­dels het groot­ste loof­bos van   Ne­der­land is, waar ree­ën, vos­sen en das­sen 's win­ters re­gel­ma­tig via het ijs nog even het oude land be­zoe­ken. En het nieu­we rand­meer is nu een vo­gel­pa­ra­dijs, waar dui­zen­den een­den, zwa­nen, zil­ver­rei­gers, le­pe­laars en zelfs de zee­arend vas­te gas­ten zijn. Het is an­ders ge­wor­den.
An­ders, maar mis­schien niet min­der mooi.

 
Line De Vos