Er­me­lo­se hei­de. 4 sept 2012. 06.30 uur.

Het is een hel­de­re, kou­de nacht ge­weest. De da­gen wor­den al merk­baar kor­ter, de zo­mer lijkt bij­na voor­bij.

Acht­dui­zend jaar ge­le­den was dit ge­bied nog een uit­ge­strek­te toen­dra. Maar de ijs­tijd liep ten ein­de. De aar­de was al aan het op­war­men, en de kale vlak­te ver­an­der­de hier jaar na jaar lang­zaam in een half open bos­ge­bied. Mam­moe­ten en pool­vos­sen ver­dwe­nen, her­ten, wol­ven en be­ren kon­den blij­ven.

 Dan trek­ken vijf­dui­zend jaar ge­le­den de eer­ste men­se­lij­ke be­wo­ners dit ­ge­bied bin­nen. Ze bou­wen een­vou­di­ge ne­der­zet­tin­gen, ge­brui­ken ste­nen werk­tui­gen en be­gra­ven hun do­den on­der lage graf­heu­vels. Al­tijd met hun ge­zicht naar het oos­ten  en vaak met ge­reed­schap­pen en aar­de­werk voor tij­dens hun reis door het do­den­rijk. Lang zijn die no­ma­den hier niet ge­ble­ven, ze trok­ken ver­der en los­ten op tus­sen an­de­re vol­ken.

Een paar dui­zend jaar la­ter verschijnt een Ro­mein­se le­gereen­heid. Op deze plaats, tus­sen de graf­heu­vels, slaan ze hun mars­kamp op. Ze blij­ven een paar da­gen, en trek­ken zich dan weer te­rug ach­ter de Oude Rijn, de vei­li­ge noord­grens van hun rijk. Wat de re­den van hun komst was, een ver­ken­nings­tocht, of een straf­ex­pe­di­tie, we we­ten het niet.

En nu lo­pen wij over die voor­ma­li­ge toen­dra, langs de res­ten van dat mars­kamp en dwa­len tus­sen  de graf­heu­vels. De he­mel kleurt in het oos­ten. Zo da­de­lijk zal de zon op­ko­men. Het is vol­maakt stil. Dit gaat een mooie dag wor­den.

 
Line De Vos